AAIP – Hoofdstuk 8

Unsupervised Learning – Clustering, Patronen & Representaties

8.1 Wat is Unsupervised Learning?

In supervised learning krijgt een model voorbeelden mét labels. In unsupervised learning krijgt het model alleen ruwe data — zonder antwoorden — en moet het zelf structuur ontdekken.

Unsupervised learning = patronen ontdekken zonder begeleiding.

Dit maakt het krachtig voor:

Moderne AI‑systemen — inclusief LLM’s — gebruiken massaal unsupervised technieken.

8.2 Clustering: data groeperen zonder labels

Clustering is het proces waarbij een algoritme data verdeelt in groepen waarbij punten binnen dezelfde groep op elkaar lijken.

8.2.1 K‑Means Clustering

Het meest gebruikte clustering‑algoritme ter wereld.

Voordelen

Nadelen

8.2.2 Hierarchical Clustering

Bouwt een boomstructuur van clusters (dendrogram).

8.2.3 DBSCAN

Een density‑based algoritme dat clusters vindt op basis van dichtheid.

8.3 Dimensiereductie: data comprimeren

Veel datasets hebben honderden of duizenden features. Dimensiereductie maakt data kleiner, overzichtelijker en sneller te verwerken.

8.3.1 PCA (Principal Component Analysis)

PCA zoekt de richtingen waarin de data het meest varieert.

8.3.2 t‑SNE

Perfect voor visualisatie van hoge‑dimensiedata.

8.3.3 UMAP

Moderne techniek, sneller en vaak beter dan t‑SNE.

8.4 Representatieleren

Representatieleren betekent dat een model zelf leert welke features belangrijk zijn.

8.4.1 Autoencoders

Neurale netwerken die data comprimeren en reconstrueren.

8.4.2 Embeddings

Vectorrepresentaties van woorden, beelden of objecten.

Embeddings zijn de taal waarin moderne AI denkt.

8.5 Anomaliedetectie

Unsupervised learning is ideaal om afwijkingen te vinden:

Omdat er geen labels zijn, leert het model wat “normaal” is en detecteert het alles wat daarvan afwijkt.

8.6 Toepassingen van Unsupervised Learning

Moderne AI is gebouwd op een fundament van unsupervised learning.

8.7 Reflectie‑opdracht

Beantwoord de volgende vragen schriftelijk:

  1. Leg in je eigen woorden uit wat clustering is.
  2. Wat is het verschil tussen PCA en t‑SNE?
  3. Waarom zijn embeddings zo belangrijk in moderne AI?
  4. Noem een toepassing van anomaliedetectie in jouw eigen leven.
← Terug naar AAIP landingspagina Ga verder naar Hoofdstuk 9 →