AAIP – Hoofdstuk 17

Deep Learning Architecturen

17.1 Wat zijn deep learning architecturen?

Deep learning architecturen zijn gespecialiseerde structuren van neurale netwerken die ontworpen zijn voor specifieke soorten data en taken.

Architectuur = de vorm, structuur en informatie‑stroom van een netwerk.

In dit hoofdstuk leer je:

17.2 Convolutionele Neurale Netwerken (CNN’s)

CNN’s zijn ontworpen voor beeldverwerking. Ze gebruiken convoluties om patronen te detecteren zoals randen, vormen en objecten.

17.2.1 Convoluties

Een filter schuift over de afbeelding en detecteert lokale patronen.

17.2.2 Pooling

Verkleint de resolutie en behoudt belangrijke informatie.

17.2.3 Architecturen

CNN’s zijn de standaard voor beeldherkenning.

17.3 Recurrente Netwerken (RNN’s)

RNN’s zijn ontworpen voor sequentiële data zoals tekst, audio en tijdreeksen.

17.3.1 Het geheugenprobleem

RNN’s onthouden informatie via recurrente verbindingen, maar hebben moeite met lange afhankelijkheden.

17.3.2 LSTM’s & GRU’s

Deze varianten lossen het geheugenprobleem op via gates:

LSTM’s waren jarenlang de standaard voor taalmodellen.

17.4 Encoder‑Decoder Architecturen

Deze architecturen bestaan uit twee delen:

Toepassingen

17.5 Transformers: de revolutie

Transformers hebben deep learning volledig veranderd. Ze gebruiken self‑attention in plaats van recurrency.

17.5.1 Self‑Attention

Het model kijkt naar alle woorden tegelijk en bepaalt welke belangrijk zijn.

17.5.2 Multi‑Head Attention

Meerdere aandachtspatronen tegelijk → rijkere representaties.

17.5.3 Positional Encoding

Omdat Transformers geen volgorde hebben, wordt positie toegevoegd via sinus‑golven.

17.5.4 Bekende modellen

Transformers zijn de basis van moderne AI, inclusief LLM’s.

17.6 Autoencoders

Autoencoders leren data comprimeren en reconstrueren.

Toepassingen

17.7 Generatieve Modellen

Generatieve modellen kunnen nieuwe data creëren.

Voorbeelden

Generatieve AI is de toekomst van creativiteit en automatisering.

17.8 Reflectie‑opdracht

Beantwoord de volgende vragen schriftelijk:

  1. Wat is het belangrijkste verschil tussen CNN’s en RNN’s?
  2. Waarom zijn Transformers beter in lange afhankelijkheden?
  3. Noem een toepassing van encoder‑decoder modellen.
  4. Welke deep learning architectuur spreekt jou het meest aan en waarom?
← Terug naar AAIP landingspagina Ga verder naar Hoofdstuk 18 →